http://www.scholieren.com/
Kwaliteit:Nationaliteit auteur:Taal uittreksel:Andere uittreksels van© 1998
5 van de 5nlnl MultatuliScholieren.COM
Uittreksel van Max Havelaar
Multatuli

Primair leesverslag en daarmee ten dele een uittreksel van de secundaire literatuur

Schrijver
Douwes Dekker, E. alias Multatuli

Titel
Verzamelde werken van Multatuli, deel I: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche handel-maatschappij 3e druk. Voorafgegaan door studiën over Multatuli door Vosmaer, C. Amsterdam, Elsevier, 1906

Genre
Roman / pamflet / parabel. Het hangt er vanaf hoe je het bekijkt. R. Nieuwenhuys bijv. vindt de Max Havelaar een pure roman omdat het volgens hem slechts een product van de verbeelding betreft. W. F. Hermans omschrijft het boek als een parabel, vanwege de actualiteit van het boek. Weer anderen zien het boek als een aanklacht, een pamflet.

Personages
De hoofdpersoon is de tegen uitbuiting strijdende assistent-resident van Lebak in Nederlands-Indische overheidsdienst, Max Havelaar. Hij is de autobiografische figuur van Multatuli. Hij is de held van het verhaal en lijkt alleen goede eigenschappen te bezitten. Hij is ridderlijk, moedig, vlug van begrip, intelligent, vrijgevig en edel. Daarbij is hij ook nog eens buitengewoon belezen en geleerd. Zijn minder goede eigenschappen als zijn impulsief handelen, of zijn vlagen van opvliegendheid, worden in het boek zó naar voren gebracht dat hij de sympathie van de lezer wint. Max Havelaar lijkt een supermens te zijn. De manier waarop hij met vrouw en kind omgaat is zó lieftallig, hij lijkt de echte ideale vader. Maar als je het boek minder oppervlakkig bekijkt, blijkt Max ook eigenschappen te bezitten die minder goed bij een held passen en die de schrijver niet heeft kunnen (of willen?) onderdrukken. De onnoemlijke lijst van onderwerpen die Max bestudeerd heeft en die in het ‘pak van Sjaalman’ voorkomen, getuigt van zijn grote betweterigheid en zijn eigendunk. Max Havelaar is ook een slecht ambtenaar. Het lijkt wel alsof hij alleen mooi kan praten maar van zijn beloftes komt weinig. Hij beheert zijn administratie niet goed en gaat zeer slordig met zijn geld om. Havelaars functie in het verhaal bestaat uit twee delen. Ten eerste symboliseert hij de kritiek van de schrijver op de toenmalige gang van zaken in Nederlands-Indië. En ten tweede heeft hij als functie aan te tonen dat Douwes Dekker goed gehandeld heeft toentertijd en het slachtoffer is geworden van onbegrip. Multatuli wilde hiermee zowel zijn sociale als zijn maatschappelijke positie herstellen.

Batavus Droogstoppel
Hij is makelaar in koffie, Lauriersgracht No.37. Dit is de anti-held van het verhaal. Hij moet anti-sympathie bij de lezer wekken. Hij is bekrompen, gierig, dom, egoïstisch, eigenwanend en maakt zichzelf voortdurend belachelijk bij de lezer. Droogstoppel symboliseert precies de wereld van egocentrisme en corruptie die Havelaar = Multatuli wil bestrijden. Ook aan Droogstoppel heeft de schrijver onbewust(?) een paar karaktertrekken meegegeven. Zo zegt Droogstoppel in het begin van het boek: ‘Mijn boek moet gelezen worden, het moet de wereld in!’ Dit is nu juist wat Multatuli ook wilde. Dit is dus een voorbeeld waaruit blijkt dat ook in Droogstoppel stukjes van Multatuli zitten. Droogstoppel wist bij mij zelfs een stukje sympathie te winnen. Wat ik zo leuk vond was dat hij de gedichten van Sjaalman (=Havelaar=Multatuli) zo slecht vond. Praatjes en gebrabbel. Dit vond ik nou ook. De gedichten zijn zoetsappig en getuigen van ijdelheid.

Droogstoppels functie is dus het oproepen van anti-symphatie voor hem, en dus ook voor de Nederlandsche handel-maatschappij. Hij heeft een tweede functie, en dat is die van verteller. Hij is de opdrachtgever van de verteller, Stern, en schrijft tussen de hoofdstukken door soms een stukje ‘van meer solieden aard’.

Stern
Dit is de jonge, ambitieuze zoon van een grootindustrieel die door Droogstoppel wordt geëmployeerd (om de zakenrelatie van Droogstoppel met de vader van Stern te onderhouden). Droogstoppel laat Stern uit het pak van Sjaalman het verhaal van Max Havelaar schrijven, waar Stern erg in is geïnteresseerd. Stern is eigenlijk ook een held in het verhaal. Hij is een bondgenoot van Havelaar, want hij heeft sympathie voor hem. Eigenlijk schrijft hij het boek voor Max Havelaar. De functie van Stern is dan ook de lezer te laten zien dat het ‘logisch’ is sympathie voor Max Havelaar te hebben. De schrijver laat eigenlijk zien: ‘ Kijk, deze verstandige jongen is het met Max Havelaar, en dus met mij, eens.’ Het is bijna een soort reclame. Natuurlijk wel ‘valse’ reclame omdat Stern een product van Multatuli is.

De resident van Bantam, dhr. Slymering
De naam zegt het al, hij wordt afgeschilderd als een laffe, egoïstische, luie man, die de onrechtvaardigheden in Lebak niet onder ogen durft te zien en niet durft te bestrijden, uit angst voor zijn baan, uit eigenbelang. Door zijn stompzinnige uitspraak van zinnen, Ik.bedoel.maar., kwam mij in eerste instantie voor dat dit een imbeciele zielepoot was. Wat dus precies de bedoeling van Multatuli is. Hij wil net als bij Droogstoppel anti-sympathie opwekken voor hem, en daarmee voor het Nederlands gezag in Indië. Zo wil Multatuli aantonen dat hij gelijk had.

Thematiek
Het doel, en daarmee het onderwerp van het boek is: ‘Verbetering van den boel in Indië, en herstel van mijne positie.’ Aldus Multatuli zelf. Het thema maakt dat het boek nu nog actueel is: De eeuwig durende strijd van de eerlijke, weldenkende mens tegen macht, gezag, in het algemeen tegen onwrikbare principes. Dat is dus ook wat het boek door de tijd heeft gesleept. Multatuli wou niet alleen de juistheid van de feitem in de wereld gooien, hij wou ook dat de lezers wat beter gingen nadenken over dit soort dingen, hij wou ze op onderzoek sturen.

Titel plus ondertitel
‘Max Havelaar’ uit de titel verwijst naar Havelaar de hoofdpersoon, ‘het goede’, ‘de koffiveilingen der Ned. Handel-maatschappij’ verwijst volgens mij naar Droogstoppel, Slymering, enz. Naar de antihelden, naar ‘het kwade’ Zo lijkt het alsof er een keuze wordt gesteld: Wat wil men, ‘het goede’ of ‘het kwade’.

Compositie
De structuur van het boek is als volgt. Er zijn twee vertellers, Droogstoppel en Stern, die in dezelfde ruimte leven en elkaar afwisselen; gewoon chronologisch. Stern vertelt het verhaal van Max Havelaar, dat eveneens chronologisch verteld wordt. De tijd van handeling is anno 1856, toen Multatuli zelf ass.-resident van Lebak was. De tijd is natuurlijk van groot belang, omdat Indië in die tijd in Nederlandse handen was, en omdat het er niet altijd even rechtvaardig aan toe ging toen. Er waren in ieder geval zeker redenen tot kritiek op het Nederlandse bestuur. Er zijn echter twee tijden in het boek, de tijd waarin het verhaal van Max Havelaar speelt, onderbroken en ingeleid door commentaren uit de tweede tijd, de tijd waarin Stern en Droogstoppel leven en het boek schrijven Even belangrijk is natuurlijk ook de plaats van handelen, Lebak op Java, Nederlands-Indië.

Stijl
Er zijn in het boek twee vertellers en Multatuli probeert elke verteller aan een aparte stijl te koppelen, die soms door elkaar lopen. De stijl van Droogstoppel wordt gekarakteriseerd door eenvoudige zakelijkheid en zogenaamd ‘logische’ conclusies, waarin een sterk sarcasme van de schrijver naar voren treedt. Sterns stijl is als volgt van Droogstoppels stijl te onderscheiden:
-Sterns zinnen zitten gecompliceerder in elkaar; veel bijzinnen en bijvoeglijk naamwoorden.
-De zinnen van stern bevatten een grotere woordenschat.
-De zinnen van Stern geven meer beschrijvingen en visie. Droogstoppel zegt alleen wat HIJ ervan denkt.
-De zinnen van Stern bevatten meer beeldspraak.

Droogstoppel hanteert vaak dezelfde stijlfiguren als Stern en Havelaar. Maar uit zijn mond klinken deze zo lachwekkend en belachelijk. Dit heeft twee effecten:
-Het werkt komisch
-En het geeft de indruk dat Stern en Havelaars woorden veel diepzinniger zijn. De schrijver heeft dit goed bekeken. De stijl en structuur alleen al maken van het boek een zogenaamd ‘meesterwerk’.

Perspectief
Als vertellers zijn Droogstoppel en Stern auctoriaal. De verteller weet bijvoorbeeld al de afloop van het verhaal en verwijst daar ook wel eens naar. Ook blijken zij ed gevoelens van meerdere personen te kennen, bijvoorbeeld ook nog die van Havelaars vrouw, Tine. En de vertellers spreken de lezer tussen de hoofdstukken door soms toe, in de ik-vorm uiteraard.

De schrijver en zijn stroming
Omdat het werk voor een groot gedeelte auto-biografisch is (behalve dan het geschrijf van Stern en Droogstoppel), ie het leven van de schrijver en zijn literaire vorming natuurlijk van groot belang voor het werk. Zijn biografische schets is bijgevoegd.

Dekker was een echte romanticus, geïnspireerd door bijvoorbeeld de denkbeelden van Rousseau. Dit uitte zich ook in zijn schrijven. De compositie van de Havelaar is typisch romantisch, hij stelt het boek voor als een gevonden manuscript (door Droogstoppel) en last tussen zijn verhaal commentaren en gedichtjes in. Romantici als Edgar Allen Poe deden dit ook. Ook van een andere stroming heeft het boek iets meegekregen; van het realisme. De werkelijkheid zo waarheidsgetrouw mogelijk afschilderen, ook voor diegenen die er nog niks van weten, is realistisch. Dit maakt het boek ook NU nog makkelijk leesbaar, in tegenstelling tot andere werken uit die tijd.

Uittreksel secundaire literatuur

Schrijver
Nieuwenhuys, R.

Titel
Multatuli en de mythe van Lebak

Uit
Haagsche Post 22-03-1975 In drie delen gepubliceerd

In hoeverre had E.Douwes Dekker GELIJK?

NIETES

De Max Havelaar deed Nederland schudden, er ging een rilling door het land. Velen werden geïmponeerd door het werk en droegen Multatuli op handen. Er waren echter ook tegenstanders. Multatuli heeft van de ‘zaak’ in Lebak geen rapport of pamflet geschreven, maar uitdrukkelijk een roman. Een produkt van de verbeelding. Hierbij heeft hij echter de werkelijkheid niet uit het oog verloren. Want de feiten in de roman zijn juist. Multatuli heeft de feiten naar eigen zeggen slechts ‘opgesierd en verdicht’.

Toen Multatuli de eerste werd genoemd die openlijk tegen het koloniale systeem inging, hadden sommigen hun twijfels hierover. Men merkte op dat Multatuli’s visie wel erg westers was en dat hij eigenlijk juist niet het koloniale systeem aanviel, maar alleen het handelen van de Inlandse hoofden en zijn superieuren BINNEN dat koloniale systeem. De belangrijke vraag was dan, had Douwes Dekker gelijk in het conflict met zijn superieuren? De geschiedenis van de zaak Lebak heb ik al behandeld in mijn leesverslag, dus die is bekend. Uit de Max Havelaar komt duidelijk een aanklacht naar voren, maar die aanklacht is tegen het gouvernement, niet tegen de wet. De wet was goed, volgens D.D., maar de uitvoering niet. Om te kunnen beoordelen of het handhaven wat de wet inderdaad niet goed was, moeten we de zaak vanuit de inlanders bekijken.

De geschiedenis van Nederlands-Indië, is die van het paternalisme. Nederland heeft zich geroepen gevoeld zich met ‘het belang van de inlander’ bezig te houden. Zij heeft het als vanzelfsprekend beschouwd hun land in te nemen en zich met de Inlanders te gaan bemoeien, ‘ter verbetering van hun positie’, maar voornamelijk vanuit winstoogmerk. Multatuli was ook een voorstander van het paternalisme. Hij zag de inlanders als zielepoten en vond het prima dát men zich met hen bemoeide, maar had kritiek op HOE men zich met hen bemoeide.

De Organisatie van Bestuur in Indië kende het dualistisch bestuursysteem. De bevolking werd bestuurd door inlandse hoofden onder toezicht van Nederlandse ambtenaren. De hoofden moesten zich daarbij aan hun instructies houden. De problemen beginnen bij dit systeem. Twee werelden die totaal van elkaar verschillen qua waarden en normen worden gedwongen samen te werken. Dat leidt altijd tot spanningen, tot onbegrip. Wat de ene wereld ontoelaatbaar vond was voor de andere normaal en vanzelfsprekend. Dit bleek maar al te vaak uit stukken van Nederlandse ambtenaren die spraken van’knevelarij’ en ‘slaafse onderdrukking’, zonder te weten wat de andere wereld van die zaken dacht.

Het traditionele bestuur op Java was héél anders dan we in Nederland ooit gekend hebben. In de Javaanse samenleving was het gewoon dat de bevolking schatting opbracht aan hun hoofd, en dat ze onbetaalde arbeid voor hem verrichten. Het Gouvernement aanvaardde deze dingen, maar stelde wel maxima aan de schatting en onbetaalde diensten. Maar bij de inlanders gold die wet niet. Bij hun was de wet de ‘adat’, het gebruik. Als de geleverde onbetaalde diensten die gebruikelijk waren in een streek (volgens die ‘adat’) hoger waren dan de maxima, dan gold de ‘adat’.

De twee werelden moesten zich noodgedwongen aan elkaar aanpassen, maar de Europeanen meer aan de Inlanders dan andersom. Aangezien de regent, het hoofd van een gebied waarover ook de assistent resident bestuurde, het volk achter zich had staan. Als het gouvernement bijvoorbeeld de ‘adat’ verboden zou hebben, zouden er zeker opstanden zijn ontstaan en zou het gebied onbestuurbaar worden. De Nederlandse beambten moesten daarom op hun hoede zijn en de regenten niet te veel voor de voeten lopen. Zo was er duidelijk een machtsverschil tussen regenten en Nederlandse ambtenaren.

Een positie bij het binnenlands bestuur eiste van de Nederlandse beambten veel kennis, ervaring en vooral begrip. Hun positie eiste soms zelfs verloochening van de eigen idealen, want ze vroeg vóór alles om beleid. Wie wil besturen moet eerst de andere wereld leren kennen, voordat hij daar recht ging toepassen.

D.D. kwam in Lebak met zoals hij zei zeventien jaren dienstervaring. Dit klopt niet helemaal. Uit onderzoek blijkt dat hij van die zeventien jaar veertien jaar ECHT in gouvernementsdienst is geweest, waarvan hij weer ruim vijf jaar met ziekte verlof in Europa was. Dan blijven er nog negen jaar over, waarin hij slechts anderhalf jaar als BESTUREND ambtenaar heeft gewerkt. En dan nog niet eens op Java, waar het toch anders was dan in de rest van Indië.

Op Menado bijvoorbeeld, waar Max Havelaar als administratief medewerker heeft gewerkt, waren de regenten VEEL MINDER hoog t.o.v. de bevolking als op Java. Omdat ze minder hoog waren, waren ze ook minder vijandig t.o. de Nederlanders. Nog ver in de 20e eeuw kon alleen een resident een regent op Java iets ‘bevelen’ en dan nog als een aardig verzoek geformuleerd. En wat deed D.D.? Hij GEBOOD de regent grassnijders naar huis te sturen alsof hij zijn ondergeschikte was.

De toenmalige Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist heeft er misschien geen goed aan gedaan D.D. naar Lebak te sturen. Maar uit stukken blijkt dat het een pure vriendsschapsdaad was, hij had sympathie voor D.D. De raad van Indië, het belangrijkste adviesorgaan van de G.G. had Dekker niet eens voorgedragen als kandidaat.

Wat was de reden dat Dekker zo snel heeft ingegrepen in Lebak? Wou hij het onrecht zo snel mogelijk de wereld uit helpen? Dan had hij toch eerst een beetje kennis moeten nemen van de situatie, voor zo’n snelle beslissing te nemen. Het is misschien de ambitie die hem er toe aan gezet heeft. Hij wou zo snel mogelijk laten zien wat hij waard was. Een ijdele wens misschien.

Brest van Kempen (dhr. Slymering in het boek). Hij wordt in het boek afgeschilderd als een luie ellendeling. Maar niets is minder waar. Uit stukken van Brest van Kempen (BvK) blijkt dat hij het dikwijls heeft opgenomen voor de bevolking, dat hij weldegelijk misdaden heeft onderzocht en zeer ontevreden was over de onderdrukking. Hij was alleen wat voorzichtiger en rustiger dan Dekker. Hij wist zich goed op te stellen t.o van de inlandse hoofden en zo kon hij bijvoorbeeld gedaan krijgen dat de regent van Penebasam, die zeer machtig was, en die vele misdaden had begaan ontslagen werd zonder verdere problemen. Als Dekker dit geweten had zou hij zeker niet zo over BvK gesproken hebben.

De regent van Lebak, Kusumaningrat, kwam uit een zeer rijke, invloedrijke en adellijke familie. Hij gedroeg zich als een vorst en werd zo ook beschouwd door de bevolking. Al was hij volgens Dekker ‘arm’ in vergelijking met andere regenten, hij was zeker ‘rijk’ ten opzichte van Dekker. Bovendien stond hij ook veel ‘hoger’. Dekkers houding tegenover de regent is koel en formeel, als van een meerdere naar een mindere. Dit heeft te maken met Dekkers paternalistische trekken. Hij beschouwde de regent als ondergeschikt en zielig (‘ik heb meelij met hem’) omdat hij maar een inlander was. Hoe keek nu de regent tegen Dekker aan? Ten eerste zag elke regent in elke Europese ambtenaar een potentiële tegenstander in het machtsspel tussen Europees en binnenlands bestuur. Het was zaak voor een regent zich zó te gedragen ten opzichte van een Europeaan dat hij zijn waardigheid niet prijsgaf en helemaal niet zijn zelfstandigheid.

Alleen goede persoonlijke verhoudingen konden spanningen vermijden. De regent probeerde zo’n relatie met Dekker op te bouwen, maar stuitte op diens vooroordelen. Er is weinig contact geweest tussen de twee. In tegenstelling tot deze relatie stond de prima relatie die de regent had met Brest van Kempen.

Het onderzoek van Dekker. Toen Dekker net op Lebak kwam begon hij al in het archief te speuren, op zoek naar onrechtmatigheden en misstanden om redenen die ik eerder genoemd heb. Wat hij aantrof waren vele briefen, nota’s, rapporten van zijn voorganger Carolus die allen over klachten gingen, over misbruik van de bevolking door de hoofden, over onderdrukking. Dekker trok uit deze stukken onmiddellijk zijn conclusies en beschouwde ze als bewijs tegen de regent en de andere inlandse hoofden. De enige inlander die hij vertrouwde was de Jaska, het hoofd van de inlandse politie. Een goede man, volgens Dekker. Deze kwam namelijk met een lijst van klagers over gestolen buffels door de regent. Het is bekend dat er altijd wrijving bestond tussen de regent en zijn ondergeschikte hoofden. De goede bedoelingen die de jaska had zijn daarom twijfelachtig. Misschien wou hij alleen de regent in een kwaad daglicht stellen. Uit stukken van andere Nederlandse ambtenaren onder wie deze jaska heeft gediend, blijkt dat ze hem allen een knoeier vonden. Ook is het bekend dat onder de ‘klagers’ die zich bij assistent-residenten kwamen beklagen over het regime van de regent, vaak veel ‘slecht volk’ zat. Mensen die zich wouden wreken over oude vetes of om zichzelf te dekken voor een tegenklacht. Misschien zaten er ook mensen bij die bespeeld waren door zojuist genoemde jaska. Dekker toonde zich trots dat nu de mensen eindelijk bij HEM durfden te klagen. Terwijl hij zelf heeft gelezen dat dit ook allang bij zijn voorgangers gebeurde. De conclusies die Dekker trok uit de stukken uit het archief en uit de klachten, waren een beetje voorbarig. In ieder geval heeft hij zichzelf niet de tijd gegund om de waarheid te controleren door betreffende personen te ondervragen. Dit was wel gebruikelijk bij dit soort zaken. Elke assistent-resident hoort zogenaamde tournees te maken door zijn district. Om de bevolking echt goed te leren kennen. Dekker maakte deze tournees niet eens in een geval waarbij zulke dingen noodzakelijk zijn. Een latere controleur van Lebak vroeg aan de inlandse hoofden een keer wie zich Dekker nog herinnerde. Één hoofd kende hem nog als ‘die toewan-assisten die nooit tournees maakte’ Multatuli laat zichzelf in de Max Havelaar nachtelijke rondreizen maken, waarmee hij het tourneren bedoelde. Maar dit buitengewoon onwaarschijnlijk, omdat de dorpen daar zó ver van elkaar af liggen dat je dat nooit in één nacht kon rijden te paard. Ook regende het in die tijd ELKE nacht en Dekker sprak niet eens de taal van de bevolking. Wat was de reden dat Dekker niet tourneerde? Was hij van mening dat een enkel archief onderzoek wel zou volstaan, of was hij bang voor vergiftiging, wat zjin voorganger was overkomen?

Westerse denkbeelden.
Dekker zag de inlanders vanuit een westerse visie. Wat hij ‘willekeur’ ‘misbruik van gezag’ en ‘knevelarij’ noemde was het lang niet altijd voor de bevolking. Bij de bevolking goldt, nogmaals, de ‘adat’ en bij Dekker de wet. Wat Dekker bijvoorbeeld karbouwenroof noemde, was geen roof maar een op ‘adat’ berustend geschenk van de bevolking aan de vorst. Het bezoek van de neef van de regent van Lebak, de regent van Pranger, was aanleiding tot deze ‘roof’. De regent van Lebak was namelijk verplicht volgens de ‘adat’ zijn neef te ontvangen met grote pracht en praal. De bevolking was zich hiervan bewust. Het is zelfs zo dat als de regent zijn neef armzalig had ontvangen, niet alleen de regent beschaamd was geweest, ook de bevolking. De economische situatie van Lebak was inderdaad bar slecht en er heerste hongersnood. Volgens Dekker kwam dit door de ‘knevelarijen’ en de ‘misbruiken door de inlandse hoofden’. Als dit zo was geweest hadden de hoofden dus welvarend moeten zijn, wat ze dus niet waren. Iedereen was arm in Lebak. Voor een groot deel was dit toe te schrijven aan de relatief lage salarissen van de regent en de lagere inlandse hoofden in Lebak. Alle hoofden en regenten van elk district kregen hetzelfde salaris. Alleen eiste de ‘adat’ in Lebak veel meer van de hoofden dan in andere districten. In Lebak was het gebruik dat de hoofden veel personeel hadden, veel karbouwen en veel sieraden. De hoofden in Lebak gaven dus veel te veel geld uit aan dit soort dingen en er was te weinig om de economie te bevorderen. In andere residenties hadden de hoofden veel meer geld over. Doordat de Lebakse hoofden hierdoor veel schulden kregen, werd er van de bevolking dubbele inzet verwacht, wat de bevolking ook gewillig deed. Dekker had , als hij wat langer na had gedacht, veel beter de oorzaak van de misstanden bij de oorsprong kunnen aantonen. Hij had beter het Nederlands-Gouvernement kunnen aanraden meer salaris uit te betalen aan de Lebakse hoofden, dan te verzoeken de regent te ontslaan, waarmee hij niet de oorzaak van het kwaad uit de weg had geruimd.

Er was nog een reden om niet te verzoeken de regent te ontslaan. In latere werken vergelijkt Dekker de regent van Lebak met een sergeant uit het leger. Dat is nu juist een verkeerde vergelijking. Een regent was in de 1e plaats VOLKSHOOFD en hij was zowel sociaal als sancraal aan de bevolking verbonden. Een sergeant kon je eenvoudig ontslaan, zonder gevolgen, een regent NOOIT. Het volk zou dat niet pikken. De regent werd door het volk aanvaard en gevreesd. Maar gevreesd zoals een christen God vreest.

Dit is nu ook juist de reden waarom Brest van Kempen en Duymaer van Twist zeer ontevreden waren over Dekkers verzoek tot ontslag van de regent. Zij begrepen wat er aan de hand was, en dat het niet aan de regent lag. En ALS het aan hem lag, dat ze hem dan niet zomaar konden ontslaan.

Als Dekker in zijn laatste hoop bij D. van Twist aanklopt geeft deze dan ook geen gehoor en geeft blijk van afkeuring in een brief. Dit moet Dekker diep geschokt hebben. Hij was juit trots op zijn goede, persoonlijke relatie met van Twist. Hij zag hem als een bondgenoot en verwachtte geenszins dat hij zijn handelen zou afkeuren. Duymaer van Twist moet op zijn beurt zelf ook teleurgesteld zijn geweest in Dekker. Hij had hem zonder advies van de Raad van Indië aangesteld, omdat hij iets van hem verwachtte, omdat hij sympathie voor hem voelde. Hij moet zich hebben geschaamd voor het optreden van Dekker. En dan noemt Dekker hem ook nog eens lui.

Wat is GELIJK HEBBEN?
De Nederlandse letterkundige Du Perron stelt dat Multatuli GELIJK HAD omdat er is aangetoond dat de inlandse hoofden inderdaad misstanden hebben begaan. Maar zo is de zaak verkeerd gesteld. Dekker is niet ontslagen omdat zijn superieuren vonden dat de hoofden GEEN misstanden begaan hadden, hij is ontslagen omdat ze de WIJZE WAAROP Dekker deze dingen aanpakte afkeurden, en terecht. Deze wijze, het ontslaan van de regent, was ONMOGELIJK en ook niet goed, aangezien de regent niet de oorsprong van het kwaad was.

Maar er is wel iets voor te zeggen dat Multatuli GELIJK had. Daarvoor moeten we de zaak door de ogen van Dekker zelf zien. Dekker was een kind van zijn tijd, van de Romantiek. Een bewonderaar van Rousseau en vooral van Napoleon. Hij is gevormd met hun ideeën; dat het lot der volkeren door helden en geniën werd bepaald. Napoleon is voor hem hét genie van zijn tijd. En nu is het duidelijk op wie Dekker zichzelf wou laten lijken in de Max Havelaar. In brieven van hem vóór zijn affaire op Lebak, schrijft hij dat hij het genie in hem voelt opkomen en dat hij wacht op een kans om hem boven te laten komen. Het is nu ook duidelijk waarom Dekker zo blij was over het feit dat hij over zo’n arme streek het bestuur had gekregen. Hij dacht dat dit de gelegenheid bij uitstek was om het genie in hemzelf te ontplooien. Hij was echter te gehaast om zijn genialiteit te bewijzen en maakte daardoor de fouten die hij maakte. Typisch voor een genie.

Uittreksel secundair werk

WELLES

Schrijver
Hermans, W.F.

Titel
Hermans contra Nieuwenhuys over ‘Lebak’

Uit
Het Parool, 12-04-1975

Nieuwenhuys ontkent in het artikel wat ik hierboven heb uitgetrekseld dat Dekker een strijder tegen het kolonialisme was. Hij probeert aan te tonen dat Brest van Kempen en Duymaer van Twist absoluut gelijk hadden en Multatuli ongelijk. Hoe dat zo?

Omdat Dekker te weinig van Java afwist toen hij daar terecht kwam in Lebak, om zo snel een aanklacht in te dienen tegen de regent en daarbij niet naar zijn superieuren luisterde die beter op de hoogte waren. Dekker zag de Indonesiërs door een Europese bril en dat was zijn grootste fout.

In de tijd dat de Max Havelaar uitkwam, stond Multatuli er geheel alleen voor. In Nederland waren toen twee partijen, de conservatieven en de liberalen en Multatuli behoorde tot geen van beiden. De liberalen waren vóór afschaffing van het cultuurstelsel en voor invoering van particuliere ondernemingen in Nederlands-Indië. Zij dachten hiermee verbetering van de positie van de bevolking te bereiken. Multatuli sloot zich niet aan bij de socialisten, omdat hij meende dat afschaffing van het cultuurstelsel geen verbetering van de bevolking tot resultaat had. De bevolking was immers in de macht van de inlandse hoofden. En zo was het ook. Maar goed, het cultuurstelsel werd afgeschaft en de positie van de bevolking werd er niet beter op. Het werd pas beter toen de bevolking, onder andere door de Max Havelaar, meer kennis nam van de westerse cultuur en de westerse normen en waarden. De bevolking kreeg toen zelf in de gaten dat hun soort van feodale systeem niet mensvriendelijk was.

Nieuwenhuys stelt dat Multatuli Napoleon had willen zijn. Dit klopt, maar hij heeft nooit de illusie gehad dat dit ook werkelijk kon. En hij heeft zeker nooit enige poging gedaan om het te worden.

Nieuwenhuys verwijt Multatuli dat hij nooit op tournee ging en overijld handelde. Maar Dekker had in de korte tijd dat hij op Lebak was nooit tijd gehad om op tournee te gaan. Zijn aanklacht was slecht voorbereid en overijld, maar in weze juist. Hij MOEST zich wel haasten, omdat Duymaer van Twist weg zou gaan en van diens opvolger, Pahud, zou Dekker niets te verwachten hebben.

Nieuwenhuys stelt dat Duymaer van Twist edelmoedig was door Dekker tegen het advies van de Raad van Indië in niet te ontslaan maar hem een overplaatsing te gunnen. De raad van Indië heeft echter nooit geadviseerd Dekker te ontslaan, maar te ONTHEFFEN van zijn ambt in Lebak, wat overplaatsing niet uitsluit.

Ook zegt Nieuwenhuys dat er door Nederlandse ambtenaren te lichtvaardig wer gesproken over ‘despotisme en ‘slaafse onderdrukkingen’ etc. Ze hadden begrip moeten hebben voor het inlandse bestuur met een eigen levensstijl. Ja, dus de Europese kolonisatoren hadden er verkeerd aan gedaan de weduweverbrandingen in India te stoppen, of het koppensnellen in Borneo. Ze hadden het kannibalisme niet moeten veroordelen.

Hoe had het dan moeten zijn volgens Nieuwenhuys? Had Nederland Indonesië berouwvol moeten verlaten, hadden ze het land moeten achterlaten in de handen van een of andere despoot? Hun huidige regeringsvorm is gebaseerd op de Westerse normen en waarden, voortgevloeid uit het Nederlands bewind. En karbouwenroof is er nu verboden.

Ook al heeft Dekker de zaak niet helemaal nauwkeurig en correct onderzocht. Toch heeft hij als Multatuli iets belangrijks aan het volk getoond, waar Nieuwenhuys aan voorbij gaat. Dat is de dubbelslachtigheid van elk koloniaal bewind. Multatuli wist dat de verbetering van het lot van de inlanders niet het voornaamste doel was van Nederland. Het was ons alleen om het geld te doen. Om winst maken met zo weinig mogelijk moeilijkheden. Max Havelaar is meer dan kritiek op een bepaald soort mensen in een bepaalde tijd. Het is een kritiek op de menselijke zwakte en gemeenheid in het algemeen. Multatuli geloofde aan geen enkel systeem. Want hij zag de praatjesmakers die hun zakken vulden ten koste van anderen.

Max Havelaar is een parabel en geen politiek vertoog. Daarom leeft Multatuli nog en zijn al die anderen dood, morsdood.

Uittreksel secundair werk


WELLES OF NIETES?

Schrijver
Dautzenberg, J.A.

Titel
De affaire van Lebak, het verhaal wordt eentonig

Uit
De Volkskrant, 02-10-1987 Nadat Dautzenberg het artikel van Nieuwenhuys las, dacht hij: die man heeft groot gelijk. Toen hij vervolgens ‘de raadselachtige Multatuli’ van W.F.Hermans las, een (pro-)Multatuliaan, dacht hij: die man heeft ook gelijk. Hij las verscheidene brieven van anti- en pro-multatulianen en dacht: ze hebben ALLEMAAL GELIJK.

Dit komt voornamelijk omdat de geschiedenis van Dekker niet uit harde feiten bestaat. Het bestaat vooral uit INTERPRETATIES van feiten. En aangezien elk mens verschillend is, zijn er ook zeer veel verschillende interpretaties, die alle niet zomaar als waar of onwaar kunnen worden bestempeld.

Over Nieuwenhuys en Hermans.
Nieuwenhuys zegt, verwijtend, Dekker wou de Westerse rechtsnormen opleggen aan inlanders die nog min of meer in een feodale samenleving leefden. Klopt, zegt Hermans, want daar is hij voor aangenomen, en niet om de ‘adat’ te koesteren. Trouwens, in die tijd had men nog helemaal geen weet van die ‘adat’. Dekker werd ontslagen omdat men de wijze waarop hij had gehandeld afkeurde, stelt Nieuwenhuys. Nee, zegt Hermans, Dekker is slechts het slachtoffer geworden van een ruzie tussen ambtenaren en dan wordt de laagste in rang overgeplaatst. Nieuwenhuys zegt dat de Raad van Indië Duymaer van Twist adviseerde Dekker te ontslaan, maar Hermans zegt dat ze hem adviseerden Dekker te ONTHEFFEN uit zijn ambt. Nieuwenhuys haalt het woordenboek erbij: De betekenis van ontheffen is onder meer ONTSLAAN. Maar dat zegt volgens Hermans weer niks over de betekenis van het woord ‘ontheffen’ in ambtelijk jargon.

Nu stelt Dautzenberg de volgende vraag: Moet het niet mogelijk zijn zulke dingen eens en voor altijd uit te zoeken tot op de bodem?

Het lijkt hem toch niet zo moeilijk om de afstand tussen Rankas-Betoeng, waar Havelaars huis stond en Parang Koedjang te achterhalen. Wat van uitermate van belang is voor de vraag of Dekker nou tourneerde of niet. Als de afstand te ver is om in één nacht te overbruggen te paard, is die vraag ook weer opgelost.


Gemaakt door Douwe Groenevelt. Commentaar emailen naar eekeren@tip.nl.